De dag maakt haar belofte niet waar, het begint te regenen. Dus neem ik op weg naar huis de drogere route door het station. Eerst miezert het nog wat, maar de regen besluit er eens lekker voor te gaan, en stuurt een hele menigte aan venijnige druppeltjes op mijn blote benen. Koud. Dus fiets ik in flink tempo over het stationsplein, mensen ontwijkend en onderwijl spiedend naar lastige agenten die me handenwrijvend aanhouden met een ‘Gaan we effe afstappen dame’+boete.
De schuifdeur van het station zoeft open als ik eraan kom, de weg is vrij. Dan ga je niet afstappen, niet als het zo regent in elk geval. Dus zwier ik al remmend door de schuifdeuren.
Ik wil net afstappen, als er een agente aankomt. Op de fiets, net als ik, ín het station. Mag niet. In een horkerige draai posteert ze haar fiets dwars voor de mijne. We stappen tegelijk af.
Ze heeft pierig haar, rood geverfd, een onzekere en bozige blik in haar ogen. Ze neemt me in zich op. Ik haar ook. Degelijke zwarte schoenen, dikke kont (in theorie zou het een mooie, stevige, ronde kont kunnen zijn. Maar de praktijk van politie uniformen bepaalt anders. Waarom toch zo lelijk?! Al heb je de billen van J-Lo herself, zo’n broek helpt elke ronding of welving rücksichtslos om zeep).
‘Je mag hier niet fietsen’, zegt ze met de fiets nog tussen haar benen, en pakt haar bonnenboekje.
Ze hoeft er niet eens om te lachen.