Sinds ik aan de sluis woon, zie ik hem bijna dagelijks voorbijkomen. Een duwboot, met meestal een flink vrachtschip ervoor. In de stuurhut staat een grijze schipper die nors kijkt. Over het vrachtschip dartelt altijd een jonge adonis. Ik schat hem begin twintig en hij heeft een lichaam waar elke man (én vrouw, maar dan anders) van droomt.
Als de temperatuur stijgt, gaat het bovenstuk van zijn overall steevast naar beneden. Dan loopt hij daar zomaar, met biceps en triceps en buikspieren en alles, door de gangboorden. Met stalen kabels, die zwaar sjouwwerk vereisen, maakt hij de vrachtschepen aan de sluiswal vast. Zo had ik vanuit mijn werkkamer mijn eigen dagelijkse Coca Cola Light Break-moment.
Gisteravond was hij aan de late kant. Het was al een uur of zeven toen hij voorbijkwam. Het was nog aangenaam buiten, we zaten aan een glas witte wijn en een zomerse salade.
Ik ging er eens lekker voor zitten.
Op de kade stond een meisje van een jaar of zestien met haar fiets. We zagen haar van de achterkant. Rechtop stond ze, met haar billen wat naar achter, in een pose waarvan ze voor de spiegel vast dacht dat het een mooie pose was. Ze waaierde met haar lange blonde haar en wachtte tot het schip dichtbij genoeg was.
De jongen had een pet op vandaag. En zijn overall was dicht. Hij stond op één been, de andere leunde op wat een lier zou kunnen zijn, of een ander scheepsding. Een stalen kabel hing in zijn onrustige hand. Ook hij wachtte tot het schip dichtbij genoeg was.
Toen het moment daar was, sloeg de jongen zijn kabel rond de bolder op de kade. Het meisje duwde haar fiets iets naar voren, en keek hoe haar vlam de kabel vastmaakte. Pas toen hij klaar was, keek hij op naar zijn meisje. Hij spreidde zijn armen. ‘Spring maar!’, zeiden de armen. Het meisje keek er vertwijfeld naar, en daarna naar haar fiets. Hij zag het ook. In een beweging hees hij de fiets aan boord, en toen zijn meisje. Hij kuste haar met zijn handen om haar gezicht.
Bij ons aan tafel zacht gezucht.
Maar toen stak de grijze man zijn hoofd uit de stuurhut. Er moest gewerkt worden, dat getreuzel ook, zo kwamen ze natuurlijk nooit aan. De jongen vroeg iets en meteen daarna duwde hij zijn meisje met lichte dwang het steile trappetje op, naar de stuurhut.
Neehee! Klonk het bij ons aan tafel. Doe dat nou niet! Nu zit dat arme kind met die ouwe opgescheept!
De ouwe stond op van zijn stoel, en gebaarde het meisje te gaan zitten. Ze zat onwennig in het midden van de stuurhut. Hij stond ernaast. Allebei even misplaatst. Beiden keken naar de jongen. Hij liep zalig te sjouwen met kabels en wat niet al.
Vlak voordat de sluisdeuren open gingen, daalde het meisje de trap weer af. Behoedzaam. Onderaan stond hij op haar te wachten. Hij stak een arm naar haar uit, en hielp haar de laatste treden af. Desalniettemin miste ze de laatste, ze kwam in zijn armen terecht. Hij lachte zacht. Samen liepen ze naar achter, waar we ze niet konden zien.
Ondertussen daalde het water in de sluis.
Op het moment dat de sluisdeuren opengingen, verschenen ze weer. Gearmd. Maar al snel maakte de jongen zich los, hij tilde de fiets aan wal. Het meisje kwam er rap achteraan. Het was uit met de pret.
Hij haalde de kabel los van de bolder en liep met grote passen naar voren. Na een paar passen draaide hij zich om, en zwaaide kort naar zijn meisje, met zijn hand laag opdat die ouwe het niet zag.
Het meisje wierp hem een verlegen kushandje toe. Maar die vervloog, want hij was alweer doorgelopen. Ze greep haar fiets stevig vast en staarde naar het schip, tot haar vlam doofde aan de horizon.