Het begon ermee dat ik vanochtend om zes uur wakker werd van een hulpeloos klinkend piepje. Geen idee wat het was, of waar het vandaan kwam. Ook niet toen ik half onder het bed lag om te kijken of daar soms één of ander apparaatje lag weg te kwijnen, smekend om een oplader.
Maar nu ik toch zo vroeg wakker was, kon ik net zo goed een rondje gaan hardlopen.
Ik was nog geen halve kilometer op weg, of ik zag een fotolijstje liggen op straat. Dat is raar. Fotolijstjes liggen niet op straat. Het glas was gebarsten. De breuk liep dwars over het gezicht van een jonge vrouw met kort rommelhaar. Zo te zien lag ze op bed. Haar ogen waren net niet helemaal gesloten en er zat maar weinig kleur in haar gezicht. Er zat sowieso weinig in haar gezicht. Ik bedoel, wel ogen, een neus en een mond enzo, maar weinig ziel. Weinig leven. Zou ze dood zijn? Van schrik liet ik het lijstje vallen. Het glas brak verder, maar bleef in het lijstje zitten.
Brrr. Gauw doorrennen.
Ik concentreerde me op de muziek en bedaarde wat. Maar niet voor lang, want net op het moment dat ik even wegsmolt van een moedereend met haar kuikens, voelde ik een pets op mijn hoofd. Een verder keurig uitziende man zat half gedraaid op de fiets, zijn hand nog in petsstand. Hij had een snor en hysterische blik in zijn ogen.
Ik stopte en keek verbijsterd hoe de man op zijn dooie gemak mijn blikveld uitfietste.
Ik besloot mijn training er niet door te laten verstoren, en jogde zo gewoon mogelijk verder. Tot ik bij de kinderboerderij kwam. Net toen Mary J. Blige zong over ‘A Beautiful Day’, en ik dat probeerde te projecteren op mijn dag die komen ging, loeide er sirene van jewelste op nog geen twee meter afstand. Ik keek naar links, waar het vandaan kwam. Een achterlijk blauwe pauw keek me met wijd opengesperde bek aan. Zijn ogen net zo hysterisch als die van die petsman. De pauw zag er totaal surrealistisch uit, een directe afstammeling van Adobe Photoshop, dat zag je zo. Zijn kop reikhalsde mijn kant uit, een sprintje voorkwam nog net dat ie toehapte.
Help! Mag deze film uit?!
Maar nee, blijkbaar niet. Want even verderop stond een tienermeisje, zich zo te zien nog niet bewust van haar duizelingwekkende schoonheid, dat me hulpeloos aankeek. Met grote, verschrikte ogen stond ze in de bosjes te wijzen.
Nu zul je het hebben, dacht ik. Hier ligt een afgesneden tiet van die dode vrouw op de foto. Of zoiets.
‘Kijk!’ zei het meisje. Ze was van haar fiets afgestapt.
‘Kijk! Een konijntje!’.
Opgelucht haalde ik adem. ‘Ow’, zei ik dommig, ‘maar verderop is een veldje waar wel twintig konijntjes zitten!’.
‘Jahaa, dat weet ik’, antwoordde ze licht geïrriteerd. ‘Gister zaten er wel áchtentwintig, hoor’.
Ze stapte op haar fiets en reed richting het konijnenveldje. Ze bleef zich naar me omdraaien tot ze bij het veldje was. Haar ogen bleven verschrikt. Misschien was ze in een vorig leven ook wel een konijntje geweest, schoot het door me heen. En was ze met die ogen aan haar einde gekomen tussen de koplampen van één of andere brute bak.
Tot overmaat van spooky bleken ook de stratenmakers in het complot te zitten. Normaalgesproken is een zeer warm onthaal, met aanmoedigend gejoel en alles, vaste prik op dat punt in mijn hardlooprondje. We kennen elkaar inmiddels een beetje. Maar nu deden ze alsof ik lucht was, ze keken dwars door me heen. Het bewijs daarvan volgde direct, toen één van hen – met zijn kruiwagen op ramkoers – létterlijk dwars door me wilde. Ik kon hem op het nippertje ontwijken. Hij liep apathische door.
Het was genoeg geweest. Ik zette nog een tandje bij en holde gauw naar huis.
Inmiddels zit ik ongeschonden achter mijn bureau, en lijkt iedereen vrij normaal te doen. Maar ik ben er niet gerust op. Ook als deze dag bij nader inzien níet eindigt in een duistere kelder van een psychopaat. Want in dat geval waren het ongetwijfeld tekenen van een al even duistere hogere macht.
PS. Over spooky gesproken: de foto van de pauw maakte ik een jaar geleden. Maar dan ook exact een jaar geleden, op de dag af.