Auw
Rossig haar, sprieterig lijf, met armen zoals een kind ze tekent: harkerig. Echt een type om Herman te heten. Of Harry. Ik ken hem ergens van, ik weet het zeker. Maar waarvan ook alweer?
Ik ben in gesprek met F., we hebben elkaar lang niet gezien. We zijn met een clubje vriendinnen in Pacific Parc. Maar wacht even. Pacific. Ja! Daar ken ik die jongen van. Jaren geleden werkte ik bij de West Pacific, en daar zat hij net zo aan de bar. Zo terloops, met heel zijn hebben en houden sorry uit te stralen. ‘Sorry hoor! Sorry! Ben zo weer weg! Echt!’.
Maar dan ziet hij dat ik hem zie. Schuchter gaat zijn hand omhoog. Zou ze me wel herkennen? Ja dus, ik herken hem. Helaas, zou ik bijna willen zeggen. Het is te laat om te doen of het niet zo is. Mijn hand gaat ook omhoog, maar niet te enthousiast. Laat het vooral geen uitnodigend gebaar zijn.
Ik klets extra druk verder met F. Ondertussen komt P. even bij ons aan tafel zitten. Hij werkt in Pacific Parc en is de nieuwe liefde van L. ‘Hij wel en ik niet’, ik zíe het Herman/Harry denken. En ik zie hem verzamelen: moed. Hij verzamelt en verzamelt en verzamelt en verzamelt. Als hij eindelijk genoeg heeft, waagt hij de oversteek.
Van de bar naar onze tafel lijkt inene een onoverbrugbare afstand, maar hij haalt het. Bijna opgelucht maakt hij een, ik denk joviaal bedoeld gebaar. En hij spreekt de van tevoren bedachte woorden tegen P.: ‘zeg, zou je mij niet eens voorstellen aan deze dames?’. Het klinkt beschuldigend. Misschien zou hij willen dat dat niet zo was, maar waarschijnlijk bedoelt hij het toch zo, zij het onbewust.
Maar P. verzuimt niet voor niets zijn werk om bij ons aan tafel zitten. Daar zit zijn nieuwe liefde en die is nog jarig ook. Dus ‘nee’, zei hij. ‘Liever niet, eigenlijk’. Herman/Harry’s hoofd gaat geschrokken iets naar achter. Zijn dunne nek en de rest van zijn lijf houdt zich stok stijf stil. Het naar achter getrokken hoofd draait een kwartslag en kijkt nu vragend naar mij. Ik voel lichte paniek. Eén ding is zeker: als hij erbij komt zitten, heb ik een loeier van een energieverzwelger voor de rest van de avond. ‘Eh sorry’, redt F. ‘We hebben elkaar al lang niet gesproken, en willen even bijkletsen’. ‘Ja’, beaam ik laf knikkend. Zijn hoofd draait met zijn laatste restje hoop opnieuw naar P. ‘Sorry’, zegt ook hij.
Mijn energie was niet verzwolgen toen ik thuis kwam. Maar ik lag wel wakker. En nu lees ik vandenb. O jee! Het zal toch niet dezelfde zijn?! Als dat zo is: sorry! O! Sorry! Je hoeft niet weg! Echt!
Eindelijk, éindelijk weet ik hoe het voelt om prinsesje te zijn. Dat komt zo: ik was op persreis. Naar Thailand. In Thailand is iedereen VIP. En bij mensen van de pers staat die P voor prins(es).