Gister zag ik een programma over gevaarlijke gekken in de gevangenis. Allen psychopaat, allen extreem licht ontvlambaar, allen moordenaar van het gruwelijkste soort. Eén stak in ieder opzicht met kop en schouders boven de anderen uit: een vleeskleurige reus met rossig haar, dikke, natte lippen, slangenogen en naar eigen zeggen heel gangbare ideeën over goed en kwaad. Alleen dacht ie iets anders over de aanpak van dat laatste. Hij twijfelde soms nog wel over de manier waarop. Met een mes? Wel het makkelijkst en het snelst als je in de bak zit en geen gun voor handen hebt. Alleen zo ‘messy’ in je cel. Liever wurgen dan? Minder messy, maar weer zo vermoeiend, waren zoal de levensvragen die hem bezighielden.
Tot mijn grote schrik zag ik het evenbeeld van de man vanochtend. In de natuurwinkel nota bene. Hij keek in zichzelf gekeerd en bewoog robotig. Het enige verschil was dat deze man ondanks zijn leeftijd woest grijs haar had (iets wat ik in andere omstandigheden niet te versmaden vind). Hij kwam achter me staan bij de kassa. Zijn hand reikte langs me heen om dat mijn-dein-ding voor tussen onze boodschappen te pakken. Hij had vingers als modderige winterpenen. Ik wierp een benauwde blik in zijn mandje. Ik verwachtte een bloederige homp vlees met hooguit een takje peterselie. Maar het viel mee: fair trade chocolade, appeltjes, een knolletje, uien en -inderdaad- twee winterpenen. Toch gerust gesteld ging ik verder met boodschappen op de band leggen.
Ik spitste desalniettemin mijn oren toen ik iets uit de man hoorde komen dat het midden hield tussen mompelen en neuriën. Hoor ik het nou goed? Zegt ie het nou echt? Verdomd, hij zegt het echt: ‘Damn. You die. Die woman, die. Goddamnit DIE!’. De laatste die zei hij zo hard dat ook de caissière het hoorde. Ze wierp hem een bleke glimlach toe en ging gestaag door met haar trage handelingen.
Waarom moet ik in natuurwinkels altijd verplicht onthaasten?! Normaal gesproken vraag ik me dat af omdat ik gewoon door wil, wel wat beters te doen heb dan radijsjestaren. Maar nu leek het me een kwestie van leven of dood. De man begon te grommen, het resoneerde tot in mijn knieholten. Plots voelde ik hoe kwetsbaar mijn hals erbij lag, ik verwachte er elk moment die penige vingers omheen.
De caissière overzag mijn schamele boodschapjes, wierp een blik naar buiten en zuchtte diep.
Wat een weer,’ zei ze.
Schiet nou maar op, dacht ik.
‘Tijd voor stamppot’, antwoordde ze. ‘Stamppot peen en ui’.