Hou je vast, dit wordt je reinste tearjerker. Kitsch van de bovenste plank, vet-Amerikaans van smaak. Maar ach, het loopt al tegen Kerst, dus ik dacht, het kan wel.
Vanochtend kwam ik aanfietsen bij de pont, achter Amsterdam Centraal. Ik zag het nog net gebeuren: een man op een scooter met zijn zoontje achterop viel om. De scooter helde eerst langzaam, toen steeds sneller naar rechts en kletterde tegen de straatstenen. En dus ook de man en vooral het kind. Het jochie was weerloos in zijn val, hij landde op zijn elleboog, de scooter op zijn beentje. Gelukkig krabbelde hij al snel overeind. Hij bleef een paar seconden angstwekkend stil alvorens hij het op een brullen zette. Maar de man keek naar de grond, de pont, zijn schoenen en zijn scooter. Niet naar het kind. Het kind, een jaar of zes, een knoeperd van een helm een beetje scheef op zijn hoofd, stond daar maar. Dikke, dikke tranen gleden over zijn wangen. Hij probeerde zich in te houden, groot te houden, dat zag je. Maar het snikken was te groot, het drong zich met heftige hikken aan hem op.
Dit alles gebeurde in de paar seconden dat ik kwam aanfietsen. Er stond nog een man bij, ongeveer halverwege de veertig en een klein meisje aan zijn hand. Allebei hadden we het zien gebeuren en terwijl ik afremde keken we elkaar een fractie van een seconde aan. ‘Ga jij of ga ik?’. Hij stond er al naast, dus schoot hij op het joch af, zakte door zijn knieën en deed zijn best het kind te troosten. Hij had mooie grote handen, en brede ringen om zijn vingers. Met twee duimen veegde hij de tranen van de rode wangen van het kind en vroeg waar het pijn deed. Het jongetje wees naar zijn knie en greep zijn naar elleboog. Er zat een gat in zijn jas. De man liet zijn eigen meisje even los en streek zachtjes over zijn knie en elleboog.
De vader van het jongetje ondertussen, stond erbij en keek er níet naar. Ik denk dat hij niet helemaal jofel was. Hij keek strak voor zich uit, een beetje als een opgezet dier. Hij stond min of meer te wachten tot die onbekende klaar was met het troosten van zijn zoon. Stramme benen, zijn armen strak gespannen naar beneden en zijn hoofd opgeheven afgewend.
Het kleine meisje had er eerst een beetje verloren bijgestaan. Maar nu keek ze naar hem. Ze moet zijn onvermogen hebben gezien, want ze twijfelde geen moment. Ze liep naar het jongetje, gaf hem een snelle kus op zijn wang en liep vervolgens naar de man. Het meisje was dik ingepakt, rode wanten hingen aan touwtjes uit haar mouwen. Al dat dikke textiel zorgde ervoor dat haar armpjes al wat opzij stonden. Het was zodoende maar een kleine beweging om die armpjes om het stramme been van de man te slaan. Haar wantjes bungelden vrolijk Kerstmis.
Foto is van Old Scarf.